SCHARLAKEN - Raymond Swaep
Eén ontmoeting, één kans, twee weerzinwekkende moorden.
In het Rotterdam van 1928 struint armoedzaaier Scharlaken door de stegen en sloppen van de oude binnenstad. Een ontmoeting met de flamboyante zakenman Stich opent de deur naar een betere toekomst, maar dan zuigen twee moorden Scharlaken in een draaikolk van intriges. Wie kan hij nog vertrouwen? Wat is de rol van hoofdinspecteur Larssen? Hoe bestiert Stich dit alles? En wat hebben de hoge heren op het stadhuis ermee te maken? De prijs voor een beter leven zal hoog zijn.
Scharlaken is een huiveringwekkende roman over armoede, rijkdom, pandjesbazen, socialistische havenwerkers en een meedogenloze elite. Het is ook een verhaal waarin het vooroorlogse Rotterdam op prachtige wijze tot leven komt.
Info
Auteur: Raymond Swaep
ISBN/EAN: 978-90-8378-711-4
NUR: 305
Blz: 224
Prijs: Euro 19,95
Uitvoering: paperback
Bestellen: Scharlaken is verkrijgbaar in de boekhandel en via alle grote webwinkels
Over de auteur
Raymond Swaep (1966) is auteur van korte verhalen die tegen absurdisme aanschurken. De inspiratie voor Scharlaken heeft hij gekweekt tijdens eenzame tochten op een rammelende stadsfiets door zijn geliefde Rotterdam. Scharlaken is zijn debuut.
Fragment
-1-
Ik probeer mijn krant droog te houden voor de regen en stiefel langs de schimmen die de donkere straten bevolken. Het zijn meer schaduwen dan lichamen, alsof ze op de zondagavond niet gezien willen worden. In de verte klinken vanuit Pschorr vrolijke deuntjes. Via de Delftsche Poort neem ik de kortste route richting mijn bestemming: de krotten en stegen achter de Goudsesingel. Op de hoek van de Hoogstraat en de Korte Hoogstraat staat de nieuwbouw van C&A, een prachtig pand met ronde hoeken en een torentje met een koepel. Bij mijn pension aangekomen draai ik zo stil mogelijk de sleutel in het slot. Zo hoop ik Bijlsma te ontlopen. Ze kijkt me echter bovenaan de trap met een benevelde blik aan.
‘Waar heb je uitgehangen, Scharlaken?‘
‘Pardon, mevrouw Bijlsma?’
‘Waar je godverdomme hebt uitgehangen, klaploper!'
‘Euh… overal en nergens, mevrouw Bijlsma,’ mompel ik terwijl ik naar boven loop.
‘Hou je brutale waffel en ga slapen,’ krijst ze al leunend tegen een muur die voornamelijk uit scheuren en gaten bestaat. ‘Voor jou tien andere huurders. Ik zou me gedeisd houden.’
De geur van haring en jenever komt me tegemoet. Vanuit haar pokdalige gezicht staren twee waterige ogen me venijnig aan. Het liefst keil ik haar van de trap. Het wordt hoog tijd deze omgeving de rug toe te keren.
‘Kalm aan, Bijlsma. Er is geen levende ziel behalve ik die in dit krot wil wonen.’ Ik draai me om en loop naar mijn kamer. Ik voel het bloed door mijn slapen suizen.
‘En vergeet dit keer niet op tijd je huur te betalen.’
Ik sluit me op in mijn kamer, een hok van nog geen tien vierkante meter. Het huis ligt aan het Achterklooster. Het is niet het beste deel van de stad en hiermee druk ik me mild uit. Ik zit gevangen tussen straatjes bevolkt door schepsels die eerder een mes in je rug steken dan dat ze je een paar stuivers toereiken. Voor zes gulden per week heb ik onderdak, ontbijt met in melk gepocheerde schelvis en af en toe een sober avondmaal. Grauwe lakens, een vilten deken en een ranzig matras houden me ’s nachts warm. Vanuit het enige raampje kijk ik uit op een smalle straat. Het schaarse licht dat overdag naar binnen valt, doet de mistroostigheid niet verdwijnen. In de winter is het een kil hol met vochtige muren, ‘s zomers drukt de benauwdheid op je borst en nestelt het stof zich in je poriën. Wat een leven, maar ik heb weinig keus. God weet hoe ik hier in vredesnaam ben beland. Zwervend door deze grauwe stad grijp ik de kansen die zich aandienen. Buiten scharrelt het gepeupel door de straten. Uitgezogen en afgedankt door het systeem worstelen de armoedzaaiers zich de dagen door. Nooit zal ik er een van hen worden! Nooit!
Mijn krant, Het Nieuwsblad, is mijn hoop op een betere toekomst. Voor de zoveelste keer lees ik de advertentie die mijn leven een draai moet geven.
Gevraagd: Assistent huisheer/huurbaas in bezit van grote portefeuille woningen.
Werkzaamheden: Invordering van achterstallige huur, betekening en bevel, executoriaal beslag.
Eigenschappen: Doorzettingsvermogen, zakelijk inzicht, representatief voorkomen.
Sollicitatie richten aan Barst NV, de heer Stich.
Een functie die prima bij mijn persoonlijkheid aansluit. Ik schenk een glas oude jenever in, steek de fik in een sigaartje en begin de eerste woorden van de brief te schrijven.
-2-
Het is donker en stil in de stad. Nevel hangt als een dunne sluier in de straten en plakt aan de muren. Een kille oostenwind jaagt door mijn kleren. Mijn oog valt op het stadhuis. Verlicht door het zwakke schijnsel van de lantaarns rijst het als een burcht op uit de donkere stad. Vroeger heette het hier blijkbaar de Polder, een armetierige wijk waar het grauw in de nachtelijke uren samenschoolde. Nu zetelen de notabelen en bestuurders er.
Ik steek de Coolsingel over en loop richting het kantoor van Barst NV. Stich’s kantoor blijkt niet het nederigste stulpje van de stad te zijn. Een kleine trap leidt me naar een deur met een grote ijzeren klink en een messing bord met de tekst BARST NV – ONROEREND GOED. Ik duw de brief in de brievenbus en neem een omweg terug naar mijn hok.
De omweg brengt me in de buurt van de Dijk. De verhalen over de Dijk zijn me bekend. Overdag rustig, maar ’s avonds een plek waar schooiers en zeelieden de in hun broekzakken brandende guldens uitgeven aan zedeloos vertier. Ik ken de sloppen en stegen tussen de Schiedamsedijk en de Baan: Zwanensteeg, Bleekersteeg, Zevenhuissteeg, maar ik heb ze alleen bij daglicht gezien.
Een stuk verder loop ik langs de uitgestorven kades van de Wijnhaven en de Scheepmakershaven. Mijn ogen sluiten zich en ik ruik de geuren van vroeger: teer, gist, koffie, specerijen en kaneel. Het zwarte, rimpelloze water weerspiegelt de echo’s van de oude florerende stadshavens. Ik voel me bevroren in de tijd en proef de oude koopmansstad. Op de Regentessebrug kijk ik om me heen en zie niemand. De lelijkste stad van het land word je genoemd, maar niet hier. Ik houd van je schoonheid maar je lelijkheid stemt me droevig.
In de verte schieten de contouren van de Zuiderkerk de nacht in. Het is helder geworden en in het maanlicht zie ik het groene dak blinken. Op het water vormen zich vliesjes ijs. Ik geniet van de rust en de kou. Wanneer er niemand op straat is, lijk ik meer tot mezelf te komen. Een wereld zonder mensen, zo onaantrekkelijk lijkt dit me niet eens.
De omgeving van de kerk, het is een van mijn lievelingsplekken in de stad. Onaantastbaar staat zij op een pleintje tussen de bebouwing. Als een feniks schiet de spitse toren de lucht in. Ik leun op het smeedijzeren hek dat het plein van de straat scheidt, sluit mijn ogen en laat me wegdrijven naar vervlogen tijden. Moe en leeg zit ik even later op mijn matras. Ik sluit de vitrages, kleed me uit en zink weg in een diepe slaap.

Reacties
Een reactie posten