KUTZKE - Lucien Roosen

 


Pierre Peeters is een verliefde renner in het vooroorlogse Brussel, Willem van Rubrouck een franciscaanse monnik tijdens een kruistocht in de dertiende eeuw.

Zevenhonderd jaar na Willems missie stuit Pierre in een schuilkelder op het vergeten reisverslag van de minderbroeder. Terwijl hij Rubroucks verhaal tracht te ontcijferen, valt hij van de ene verbazing in de andere. De vijvers van Brussel, een vloot van duizend schepen, de wegenwerken aan de Ring en de fatale belegering van Damietta, wat is het verband tussen deze zaken?

KUTZKE is een kroniek vol kleine levens en grote passies als draadjes verweven in het kleed van de wereldgeschiedenis. 

Info
Auteur: Lucien Roosen
ISBN: 978-90-8378-710-7
Blz: 384
Prijs: Euro 27,-

Bestellen: Kutzke is verkrijgbaar in de boekhandel en via alle grote webwinkels

Fragment Kutzke (Hoofdstuk 1)

Dit gezegd zijnde en omdat ik genie, metis noch lijk ben, kwam ik ter wereld in de nok van een stadspaleis vol blinkend marmer, naast een der fraaiste art-nouveau lichtkoepels van Brussel. Dat is van horen zeggen. En niet eens van mijn moeder. Ontstaan is het resultaat van enige momenten van siddering tussen twee vreemden. In de eerste fase van het kampioenschap – er zijn lieden die het leven zien als een wedstrijd; ook zij vergissen zich schromelijk, er is geen eindmeet, er zijn geen medailles, alle deelnemers zijn hetzelfde lot beschoren – had ik geen boodschap aan kleurrijke glasramen of frivool krullend staal, glanzende mahonie, chinoiserieën, pauwenogen, of vazen met lelies. Ook mijn moeder niet, zij was dienstmeid en ze beet op een houtje. Letterlijk. Ze blies speeksel door op elkaar geklemde tanden, hurkte hijgend over de enige stoel van haar chambre de bonne. Vier verdiepingen lager luisterden mannen in rok en vrouwen in charleston naar een pathéphone. De bakelieten schijf werd aangezwengeld door een palfrenier. De bediende, in frak met het uiterlijk van een stalknecht, draaide de slinger van de platenspeler met het elan waarmee hij ook de motor van het Delahaye automobiel aan de praat kreeg. Een jongedame in een jurk met strass gaf minuscule gilletjes. De Livery Stable Blues blies uit de fraai met bloemen geciseleerde hoorn. Bevederde boa’s wapperden. Lange paarlen kransen slingerden. De dixielandband produceerde ritmische stalgeluiden. Dames van stand gniffelden bij het herkennen van hinnikende merries en pruttelende koebeesten. Als pinguïns uitgedoste heren wreven glimlachend hun snorpuntjes op bij de muzikale beestenboel. Jongedames knikten fluks hun fijne hieltjes naar voor en naar achter, molenwiekten met blote armen. Lalique lampen en lusters met vergulde libellen beschenen all that jazz. Het roerige feestje stopte abrupt toen een pasgeborene vanonder de koepel alle onbezonnenheid wegblies met de kracht van een misthoorn. Maandenlang had de dienstmaagd haar gezegende toestand weggemoffeld. Maar die eerste levenskreet knalde uit het kleine lijfje met een kracht die meedogenloos weerkaatste op florale glasramen. Toast met kaviaar viel op de mozaïekvloer, iemand verslikte zich in zijn champagne, sigarenrook werd opgehoest. Een grote man met drie gladgeschoren kinnen die als worstjes op zijn hoge boord lagen, wenkte een bediende. De tot hofmeier gepromoveerde koetsier gaf een ijdele hijs aan het muziekje in de hoop dat his master’s voice de schreeuwlelijk zou overstemmen. De vrouw des huizes veinsde een migraineaanval. Haar driedubbel geknoopte paarlen snoer sloeg luidruchtig tegen een Chinese vaas. Een ouder koppel, hij had de bakkebaarden van een bankier, zij het wiebelende volume van Catharina de Grote, maakte zich zonder veel plichtplegingen uit de voeten. Ook een jongeman die zonet nog lachend was opgedoken van achter een wuivende bos struisvogelveren schuifelde schoorvoetend naar de trap. Hij droeg een driedelig grijs pak verlucht met een paarse, zijden das die op z’n plek werd gehouden door een speld in de vorm van een wellustige Sylphe. Het gouden vlindervrouwtje spreidde de vleugels, maar hield de benen gekruist. Nerveus pulkte de jongeman aan zijn delicate moustache. Hij leek te staren naar de vloer. In werkelijkheid keek hij gebiologeerd naar het spiegelbeeld van zijn gepommadeerde coupe in het glimmen van de eigen schoenen. Heel de traphal resoneerde als een klankkast. Het krijsen overstemde elk overhaast afscheid. De mansarde was niet te bedaren. Een huisbediende liep de trappen op alsof er brand was uitgebroken. Een timide kerel met een hoornen bril en een hazenlip, stelde voor zich als laatstejaars geneeskunde ten dienste te stellen. Op het palier van de derde verdieping kruiste de geneesheer in spe de student met de lascieve lavallière en opgeblonken schoenen. De gedoctoreerde hazenlip verwrong tot een nog schevere grijns. ‘Dit kan niet!’ Ik kan dit niet aan!’ huilde de jongeman met het gepommadeerde haar. ‘Abel,’ antwoordde de arts in wording, ‘ga uit de weg. Het aanhoudend gekrijs doet complicaties bij de bevalling vermoeden. Ik leg binnenkort mijn eed van Hippocrates af!’ ‘Maar je begrijpt het niet, Jacob. Dat kan niet. Snap je. Die slet kan niet zomaar… Dit is onaanvaardbaar.’ ‘Het lijkt het erop, Abel dat jij je te laat hebt teruggetrokken en het is een heel andere kwestie of je je nu nog verder wil terugtrekken.’ Een bediende kreeg van de student opdracht een kom kokend water en propere doeken te brengen. Mijn moeder lag languit op de vloer van het zolderkamertje. Ze had de navelstreng zelf doorgesneden. De pasgeborene lag te schreeuwen in een plas bloed. De arts bukte zich eerst naar de baby maar richtte zich dan toch naar de moeder die weliswaar ademende maar nauwelijks reageerde. De kokkin duwde met een kom kokend water en een stapel witte doeken het samengeklitte personeel uit het deurgat. Ze besloot na één oogopslag: ‘Leg de kleine aan, ze zal bijkomen.’ De arts bond de navelstreng af. De kokkin wikkelde het kind in een doek en drukte het mondje van de huilende baby tegen de tepel van de voor pampus liggende moeder. Verward kwam ze bij zinnen. ‘Proficiat mevrouw,’ zei de arts, ‘u hebt een flinke zoon.’ De komende dagen bracht de kokkin kippensoep. Telkens werd de hulpvaardige matrone aangesproken door de gewezen chauffeur die steeds dwingender liet merken dat er in deze wereld van gracieuze diners en sierlijke elegantie geen plaats was voor bezwangerde wezen. ‘Luister niet naar die bruut, Lena. Die gevoelloze omhooggevallen stalknecht,’ probeerde de kokkin mijn moeder te troosten. Toch had de majordomus gelijk. De kokkin wist dat. Lena wist dat. Ze slurpte kippensoep. In de eerste uren na de onverwacht luidruchtige ademtochten die het feestje verstoorden, pleegde de zoon des huizes, Abel junior, ei zo na zelfmoord en de ondernemende vader, Abel senior, een paar telefoontjes. In een bijzonder droog gesprek met zijn nazaat stuurde hij de jongeman prompt naar een bedrijfsfiliaal in Argentinië. De jongeman mompelde, ‘Merci papa.’ Zijn moeder was ontroostbaar. Eerst was ze kwaad op haar zoon – hoe kon hij zo onvoorzichtig zijn? Hij had haar toch alles kunnen vertellen? In gevallen van groeiend ongeluk bestaan er middeltjes. Maatregelen die je voor en tijdens maar niet meer na het gekrijs kan nemen. En dan was ze nog bozer op haar echtgenoot. Omdat hij haar zoon zo ver weg stuurde. Buenos Aires? Waarom niet Berlijn of Parijs? Tenslotte kwam er een afkeer opborrelen tegen de lichtekooi die haar enige kind in het verderf had gestort. ‘De slet! Dat komt zomaar uit één of andere sjtetl gevallen om hier op mijn kosten kippensoep te drinken. Terwijl ik afscheid moet nemen van mijn Abeltje. Dat ze vooral uit mijn ogen blijft. Ik denk dat ik ze iets doe.’ Maar ze deed haar niets. Toch wist Lena dat ze niet kon blijven. Stille dagen gingen roerloos voorbij. Nauwelijks aangesterkt vertrok ze uit het fraaie stadspaleis. Net zoals ze er een paar jaar eerder was komen aanwaaien, zonder een woord. Ze kwam uit het niets en ze ging naar nergens. Dat ze vertrok zonder een woord is zowat het enige waar ik zeker van ben. De rest van het verhaal is een mikmak bij elkaar gehouden door de twijfelachtige gelatine van de verbeelding. Mijn moeder sprak nooit over zichzelf. Ze zei sowieso bijna nooit een woord. En als er al iets uitkwam was het gepiep met een raar accent, enkel hoorbaar een paar centimeter van haar lippen. Ik herinner me vaag het gevoel van een woordeloos geneuried wiegelied. Haar stem is weg. Opgevlogen. In haar dienstkledij, een zwarte jurk met witte voorschoot, moet mijn jonge moeder geleken hebben op een verward vogeltje. Zo wipte ze een paar weken na de bevalling over de straten. Op zoek naar wat kruimels. In het Brussel van 1920 vielen die te rapen bij bakkers, beenhouwers en tavernes. Slapen deed ze voornamelijk in stations. Vermagerd, verward, verfomfaaid werd ze gevonden in het portaal van La Grande Poste. Met haar scherpe neus en haar zwart met witte soubrette was ze niet meer dan een verwaarloosde ekster. Met angstige kraaienoogjes hield ze een kuiken tegen zich aangedrukt. Een reus tilde moeder en kind van de koude stenen.  


Reacties

Populaire posts van deze blog

Eerste honderd exemplaren verkocht

KOOLZAAD - Piet Post